bokkenpoot

mannelijk (de)/ˈbɔkə(n)ˌpot/

Wat is de betekenis van bokkenpoot?

bokkenpoot betekent: (anatomie) elk van de vier ledematen van een mannelijke geit of hert

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. anatomie (anatomie) elk van de vier ledematen van een mannelijke geit of hert
  2. figuurlijk (figuurlijk) benaming voor op ledematen van een bok lijkende benen van een mythisch wezen
  3. figuurlijk (figuurlijk) aanduiding voor een mythisch wezen met benen die op de poten van een bok lijken, zoals een duivel of een sater
  4. gereedschap (gereedschap) kwast waarvan de borstel met een knik aan de steel zit, om plekken te schilderen of smeren die met een rechte steel moeilijk te bereiken zijn
  5. sierlijke poot van een meubelstuk die onderaan met een ronde verdikking eindigt
  6. gereedschap (gereedschap) handvat met een plat afgerond uiteinde, waarmee de nagelriem kan worden teruggeduwd
  7. staafje in een uurwerk dat ervoor zorgt dat op gezette tijden een geluidssignaal wordt gegeven
  8. bloemplanten (bloemplanten) (Suriname) sierplant met schijnstammen, , bloeiend met een aar die rode schutbladen heeft{{citeer|web|citaat=
  9. bouwkunde, verouderd (bouwkunde) (verouderd) onderdeel van een hijskraan of heistelling, bestaande uit twee schuine palen die bovenaan met elkaar zijn verbonden en scharnierend met de ondergrond zijn verbonden
  10. scheepvaart (scheepvaart) scharnierende constructie waarmee de mast van een zeilschip kan worden opgezet of gestreken
  11. militair, spottend (militair) (spottend) benaming voor infanterist of marinier

Voorbeelden van "bokkenpoot" in een zin

  • Meestal moet een amulet een gevaar voor de drager afweren, maar welk: een of andere bokkenziekte, een trap van een bokkenpoot, de vrees geofferd te worden?
  • Mijn boeken zitten vol met djinns – dat zijn demonen uit de arabische wereld die in waterputten en toiletten huizen – en dit toneelstuk begint al met een visioen van de hel: in de openingsmonoloog vermeng ik de schaduw van de God Pan met het middeleeuwse beeld van de duivel met bokkenpoten.
  • Eerst komt de aanval van satan, die bokkenpoot, van buitenaf.
  • In vroeger tijden had iedere sluis een eigen onderhoudsmonteur die op geregelde tijden met een emmertje smeermiddel en een bokkenpoot de kettingen smeerde.
  • De stoel heeft overhoekse bokkenpoten die als voet een uitgedijde zool hebben.

Etymologie

**[11]: vermoedelijk naar de indruk die het beslag op de hak van een soldatenlaars in de grond achterliet