bonbon

mannelijk (de)/bɔnˈbɔn/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. snoepgoed (snoepgoed) een lekkernij bestaande uit een omhulsel van chocolade en een vulling van room, likeur, crème of iets dergelijks
    Een doos bonbons.

Etymologie

* Reduplicatie van het Franse bijvoeglijk naamwoord bon, 'goed'/'lekker'.

Vertalingen

Engelsbonbon, chocolate, sweet
Fransbonbon de chocolat
DuitsPraline
Spaansbombón