bonbonnière

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˌbɔmbɔˈɲɛːrə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. huishouden, snoepgoed (huishouden), (snoepgoed) presenteerschaaltje voor bonbons

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, voor het eerst aangetroffen in 1824