bonenstaak

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. landbouw (landbouw) een tak of een lat waartegen de bonenplant omhoog kan groeien
    Knip stevig gewas in de herfst niet weg, maar laat het staan. Denk aan bonenstaken, rietpollen, stengels van kardoen, zonnebloemen, enzovoort. Ze vormen ideale schuil- en rustplekken voor al vroeg (of nog laat) uitvliegende bijen en voor honingbijen die een ‘reinigingsvlucht’ maken, om even te poepen. Schoon als ze zijn doen ze dat buiten hun kast en aan zo’n stengel kunnen ze heerlijk hangen.NRC 22 maart 2017
  2. een lang, mager en houterig persoon
    Lincoln, in Amerika een seculiere heilige die het land door de onvermijdelijke burgeroorlog loodste, is eenvoudig na te bootsen: een bonenstaak met diepliggende ogen en een kachelpijp op zijn hoofd. In zijn laatste maanden oogde hij grauw, vermoeid en droevig, krakend onder het gewicht van de oorlog en de onverwerkte dood van zijn zoon Willie. Tot hij een anekdote mocht opdissen: dan brak zijn gezicht open, twinkelden zijn ogen. NRC 31 januari 2013

Vertalingen

Engelsslim person