bonje

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈbɔɲə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. informeel ~ hebben (informeel) ruzie hebben
    Ze hadden weer eens bonje over niets.

Etymologie

* Leenwoord uit het ?, in de betekenis van ‘Bargoens: ruzie’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1769