bonje
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈbɔɲə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- ~ hebben (informeel) ruzie hebbenZe hadden weer eens bonje over niets.
Etymologie
* Leenwoord uit het ?, in de betekenis van ‘Bargoens: ruzie’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1769
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek