bonk

mannelijk (de)/bɔŋk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. harde klont
    Er zaten allemaal bonken in het beslag.
    Ik heb de man gezien. Eén bonk vet. Geloof me, met nog geen tien defibrillators had men dat hart weer aan de praat gekregen.
  2. anatomie (anatomie) groot bot
  3. (overdrachtelijk) stevige kerel
    Wat een bonk van een vent, kwam daar ineens door de deur.
  4. grote knikker
  5. dicht met elkaar vergroeide planten of resten van planten
  6. (geluid van een) doffe stoot

Etymologie

*[6] van "bonken" zonder de uitgang "-en", (klanknabootsing) van een bonzende stoot of van de betekenis 1.

Vertalingen

Engelslump, piece
Spaanspedazo, pieza, trozo