bonthandelaar

mannelijk (de)/ˈbɔnthɑndəˌlar/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep (beroep) iemand die behaarde dierenvellen of daaruit vervaardigde kleding doorverkoopt
    Scherp en af en toe meesterlijk beschrijft Gallian het dolle bezoek van Morini met zijn dochter Teresa aan de bonthandelaar en de juwelier, die de attributen bij uitstek van de gehate bourgeoisie verkopen.