boomer

mannelijk (de)/ˈbuːmər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. pejoratief (pejoratief) persoon van gevorderde leeftijd die ouderwetse denkbeelden heeft en afkerig is van vernieuwingen
    „Het is niet leeftijd, maar gedrag wat je een boomer maakt”, aldus Japke, die zichzelf sinds haar vijftigste ook als boomer profileert.

Etymologie

*(verkorting) van babyboomer of van """