boomklevers
/plaatshouder taxonomie/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (zangvogels) een familie van de zangvogels verwant aan de boomkruipers en behorend tot dezelfde superfamilie, de . De familie kent maar één geslacht Sitta (monotypisch) met 28 soorten
Etymologie
* "boomklever" met de uitgang -s
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek