Boomklever
mannelijk (de)/ˈbomklevər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (zangvogels) bepaald soort vogeltje, , met een blauwe rugzijde en een oranjegele buikzijde dat bij het zoeken naar voedsel in de schorsspleten in de boomstam op en neer kan klimmen
Vertalingen
Engelsnuthatch
Franssittelle, torchepot
DuitsKleiber
Spaanstrepador azul
Zweedsnötväcka
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek