boompieper
mannelijk (de)/ˈbompipər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (zangvogels) insectenetende zangvogel die inheems is vrijwel geheel EuropaDe boompieper houdt meer van open bos en heidevelden.
Vertalingen
Engelstree pipit
Franspipit des arbres, trädpiplärka
DuitsBaumpieper
Spaansbisbita arbóreo
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek