boosdoener
mannelijk (de)/'bozdunər/
Wat is de betekenis van boosdoener?
boosdoener betekent: iemand wiens daden een nadelig effect hebben
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- iemand wiens daden een nadelig effect hebben
- iets wat een nadelig effect heeft
Voorbeelden van "boosdoener" in een zin
- ...ik ben van oordeel, dat wie een boosdoener aan justitie overlevert, zijn plicht doet jegens zijne medeburgers!
- Van Egten wordt niet genoemd als boosdoener.
- Wij vroegen wie de grootste milieuvervuilers zijn. In het rijtje grote boosdoeners komt de personenauto pas op de tweede plaats.
- Niet de medicijnen op zich, maar Jeroens geest was de boosdoener.
- De belangrijkste boosdoener is de groeidwang die sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw eigen is aan onze vrijemarkteconomie. [https://www.nrc.nl/nieuws/2025/04/04/de-economie-maakt-ons-ziek-a4888866 www.nrc.nl (4 apr 2025)]
Etymologie
* afgeleid van boosdoen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek