boosheid
vrouwelijk (de)/'boshɛɪt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- de hoedanigheid van het boos zijnSchelden uit boosheid.
- de hoedanigheid van het kwaadaardig zijn
Etymologie
*Afgeleid van boos .
Vertalingen
Engelsanger, malevolence, malice
DuitsZorn, Ärger, Bosheit
Spaansenojo
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek