boost

mannelijk (de)/bost/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. extra stimulans, steun in de rug
    De economie kreeg een boost.
    Sinds het goud van Epke Zonderland zien gymnastiekverenigingen hun ledenaantallen stijgen. (…) De bond kan de boost goed gebruiken: het aantal leden daalde van 295.000 (in 2002) tot 246.000 vorig jaar.

Etymologie

*[B] van """