bootshaak

mannelijk (de)/'botshak/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. ijzeren haak op een houten stok die men voor diverse doeleinden aan boord van een schip gebruikt
    Ook had ik aan een bootshaak een klein zeiltje vastgemaakt, om het bij gelegenheid te kunnen gebruiken. NRC (1806)–J.G. Haffner [https://www.dbnl.org/tekst/haff003lotg01_01/haff003lotg01_01_0007.php Lotgevallen op eene reize van Madras over Tranquebaar naar het eiland Ceilon]

Vertalingen

Engelsboat hook