borgtocht

mannelijk (de)/'bɔrxtɔxt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. juridisch (juridisch) (burgerlijk recht) een overeenkomst waarbij de borgsteller garant staat voor de schulden van de schuldenaar.
    Deze borgtocht dient als onderpand voor het nakomen van de verplichtingen van de aannemer.
  2. juridisch (juridisch) (strafrecht) het voorlopig vrijlaten van een gevangene tegen storting van een borgsom
    Iran laat de Amerikaanse gevangenen op borgtocht vrij.

Etymologie

* ; Middelnederlands borchtoch(t), -tucht (f); parallel daarmee zijn Middelnederduits borgetuch(t), Middelhoogduits burgezoc en Fries boarchtocht ‘waarborgsom’.

Vertalingen

Engelssuretyship, bail
Franscautionnement
DuitsBürgschaft
Spaansfianza, caución, fianza
Italiaansfideiussione, cauzione
Portugeesfiança
Koreaans보증
Poolsporęczenie majątkowe
Zweedsborgen