bornput
mannelijk (de)/ˈbɔrᵊmˌpʏt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- gat in de grond waaruit grondwater kan worden gehaaldEn hij genoot van het water dat vanuit de duisternis van de bornput zijn zuivere koelte had gebracht.
- (figuurlijk) oorzaak of herkomst van iets wat blijft gebeurenIn dit vers stormt de hardheid van een barbaarse wet op ons aan en raakt deze aan de bornput van ons ‘zijn’ (…)
Etymologie
*[2] wellicht onder invloed van de Statenvertaling Jeremia [https://www.statenvertaling.net/bijbel/jere/6.html 6:6,7] "Want zo zegt de heere der heirscharen: Houwt bomen af, en werpt een wal op tegen Jeruzalem; zij is de stad, die bezocht zal worden; in het midden van haar is enkel verdrukking. Gelijk een bornput zijn water opgeeft, alzo geeft zij haar boosheid op; geweld en verstoring wordt in haar gehoord, weedom en plaging is steeds voor Mijn aangezicht."
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek