Dit woord is niet gevonden in de woordenlijst.

bosbessenstruik

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. struik waaraan bosbessen groeien
    Dagenlang liep ik door bergweides die bezaaid waren met ontelbare bosbessenstruiken. Om de haverklap stopte ik om de zoete bessen te plukken waardoor mijn handen paars kleurden van hun sap. Ik at er zoveel dat ik misselijk werd en binnen de kortste keren last van mijn maag kreeg. Kennelijk is een overdosis bosbessen niet gezond.