bosbouw
mannelijk (de)/ˈbɔsbɑuw/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bosbouw) het systematisch bosbeheer (teelt en verzorging van bossen) voor de productie van houtLandbouw, bosbouw en visserij.
Vertalingen
Engelsforestry
DuitsForstwirtschaft
Spaanssilvicultura
Zweedsskogsbruk
Deensskovbrug
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek