bosbouwer

mannelijk (de)/'bɔzbɔuwər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die betrokken is bij de exploitatie van bossen
    Een wandeling door de bossen op landgoed Het Lankheet levert niet alleen maar mooie plaatjes op. Bernard Ruffaer werkt al twaalf jaar als bosbouwer op het landgoed. De 62-jarige Haaksbergenaar maakt zich zorgen over eikensterfte in het bos. Tubantia 04-04-13 [https://www.tubantia.nl/haaksbergen/kever-slachtoffert-eiken-in-het-lankheet~ab9d2823/ Kever slachtoffert eiken in Het Lankheet]
    Een zorgcentrum midden in Gelselaar. Als het aan bosbouwer Johan Mensink ligt, komt ie er. Tubantia 10-04-13 [https://www.tubantia.nl/achterhoek/plan-voor-zorgcentrum-in-gelselaar~a15c1068/ Plan voor zorgcentrum in Gelselaar]
    Volgens de lokale autoriteiten waren twee van de werknemers tijdens het noodlottige ongeluk een stuk verderop aan het werk. Op het moment dat de bosbouwer in de gemotoriseerde hakselaar verdween, zou één collega in de buurt zijn geweest. Tubantia Tom Tates 13-11-17 [https://www.tubantia.nl/bizar/australieneuml-r-op-slag-dood-na-val-in-gemotoriseerde-houtversnipperaar~ac3b5150/ Australiër op slag dood na val in gemotoriseerde houtversnipperaar]