bot

mannelijk (de)/bɔt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. straalvinnigen (straalvinnigen) bepaald soort platvis,
    Het familierecord in het schoonmaken en fileren van een bot of schol zodat hij klaar was voor de koekenpan was veertien seconden.
    Het was ook niet zo makkelijk om botten in de baai te vangen als ik had gehoopt nu ik een harpoengeweer had. De botten waren zo in aantal teruggelopen dat ook hierop vissen onzeker werd als het ging om het bij elkaar krijgen van een maaltijd. Sandhamnsbot meunière was overigens populair in onze familie.
  2. "bladknop"
  3. anatomie (n), (anatomie) been, knook, een onderdeel van het skelet
    Haar gemanicuurde nagels glinsterden vervaarlijk. Wiens huid ze hiermee tot aan het bot wilde openhalen, was Chantal inmiddels wel duidelijk.
  4. (Vlaanderen en Limburg) "laars".
  5. verkorting, afkorting, informatica, wikitaal (verkorting), (afkorting), (informatica), (wikitaal) een computerprogramma dat bepaalde handelingen automatisch uitvoert op basis van bepaalde reacties van externe gebruikers of computers
    Al deze bewerkingen zijn gedaan door een bot.

Etymologie

* [B] (erfwoord) Oorspronkelijk in de betekenis van “stomp, platgeslagen”, afgeleid van het Germaanse werkwoord *buttōn, *buddōn “(plat, stomp) slaan” , voor het eerst aangetroffen in het jaar 1599.

Uitdrukkingen

  • Bot vangenNiet het antwoord krijgen waar men op had gehoopt; niet het gewenste resultaat bereiken, geen succes hebbenDe betekenis van bot in deze uitdrukking is onzeker.
  • [3] been, knook, onderdeel van het skelet
  • Tot op het botHelemaal, volkomen

Vertalingen

Engelsflounder, bone, blunt
Fransflet, os, émoussé
DuitsButt, Flunder, Knochen
Spaanshipogloso, halibut, hueso
Italiaansosso
Turkskemik
Poolskość
Zweedsflundra, trubbig
Deensskrubbe, sløv