bouderen

/buˈderə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. inerg (inerg) niet fel, maar wel langdurig ontevredenheid laten blijken
    'Wilde ik ooit nog een kans maken op een post in een toekomstig kabinet, dan was er maar een koers: niet jennen, niet bouderen en niet samenzweren', zou Heseltine later aan een vriend toevertrouwen.
  2. ov (ov) mokkend benaderen, pruilen tegen
    Kom, wees lief, Alfred, laten we elkaar niet bouderen. Is dat nu de moeite waard? Laat ons liever elkaar goed trachten te begrijpen.

Etymologie

*van "bouder"