bouwdoos

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈbɑudos/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. speelgoed (speelgoed) verpakking met onderdelen waarmee gebouwen en andere constructies in het klein kunnen worden nagebouwd
  2. verpakking met onderdelen om zelf een bepaald apparaat te bouwen
  3. scheldwoord (scheldwoord) voor transseksueel, iemand de een geslachtsoperatie ook lichamelijk vrouw is geworden
  4. filmkunst (filmkunst) stel schermen dat er voor zorgt dat het licht van een studiolamp alleen op een bepaald deel van de set valt

Etymologie

*[4] verbastering van "barn doors"