bouwdoos
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈbɑudos/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (speelgoed) verpakking met onderdelen waarmee gebouwen en andere constructies in het klein kunnen worden nagebouwd
- verpakking met onderdelen om zelf een bepaald apparaat te bouwen
- (scheldwoord) voor transseksueel, iemand de een geslachtsoperatie ook lichamelijk vrouw is geworden
- (filmkunst) stel schermen dat er voor zorgt dat het licht van een studiolamp alleen op een bepaald deel van de set valt
Etymologie
*[4] verbastering van "barn doors"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek