bouwer
mannelijk (de)/'bɔuwər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (beroep) een persoon die dingen bouwt
Etymologie
* afgeleid van de werkwoordstam van bouwen
Vertalingen
Engelsbuilder
Fransconstructeur
DuitsBauer
Spaansconstructor, edificador, labrador
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek