bouwer

mannelijk (de)/'bɔuwər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep (beroep) een persoon die dingen bouwt

Etymologie

* afgeleid van de werkwoordstam van bouwen

Vertalingen

Engelsbuilder
Fransconstructeur
DuitsBauer
Spaansconstructor, edificador, labrador