brasa

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈbrasa/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. liefdevolle omsluiting in de armen
    Hij wilde me een stevige brasa geven, een omhelzing, maar ik hield hem tegen en vroeg hem om afstand te houden.

Etymologie

*van "brasa" "omhelzing" ; zie ook "brasa" "omhelzen, omhelzing"