omhelzing

vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de daad van het omhelzen
    Eerst was er op het podium nog die laatste omhelzing met Lodewijk Asscher geweest – misschien wel het moeilijkste moment voor alle partijleden. Samsom die met gesloten ogen zijn kale, nu weerloze hoofd tegen Asschers rechterschouder drukt, Asscher die hem met één hand omklemt en met de geopende andere hand een verontschuldigend gebaar maakt: hier sta ik, ik kon niet anders. NRC Frits Abrahams 11 december 2016
    Haar juwelen rinkelden terwijl ze haar zachte, warme armen spreidde voor een langverwachte omhelzing die noodlot was en bestemming, en heel even giechelde ze omdat alles eindelijk logisch was.
    Toen zag ze er heel blij uit, omhelsde me en noemde me haar kleine mannetje, wat volgens mij helemaal niets te maken had met het feit dat ik waarschijnlijk verliefd was. Ik maakte me los uit haar omhelzing en zei dat ik het meisje mee wilde nemen naar de bioscoop maar geen geld had en dat bijna alle andere jongens daar geld voor hadden, op zijn minst één keer in de week, terwijl ik alleen naar de filmclub van de school kon.
  2. figuurlijk (figuurlijk) het ergens mee eens zijn, het iets voor waar aannemen, iets accepteren
    De hippiecultuur, punk, new wave, gabbers, grunge, mods, motorbendes en vooral de hiphop; allemaal zijn ze de inspiratie geweest voor mode die niet per se bedoeld was voor mensen uit die groep. Omhelzing door de modewereld is het begin van de acceptatie door de mainstream waartegen veel subculturen zich juist afzetten. NRC Milou van Rossum 17 november 2016

Etymologie

* van omhelzen