bres

mannelijk/vrouwelijk (de)/brɛs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. opening in een vestingmuur gemaakt door geschut
    Door de bres in de stadsmuur stroomden de aanvallers Zutphen in.

Etymologie

*van "brèche" "breuk, "bres""

Uitdrukkingen

  • in bres slaan inde hoeveelheid van een voorraad ernstig doen afnemen
  • in de bres springen voor iemandiemand verdedigen|als er een bres in de vesting is, is iemand in de vesting kwetsbaar, als je dan in de bres gaat staan om de vijand af te weren bescherm je die persoon
  • op de bres staan voor iemandiemand verdedigen