Brik
mannelijk (de)/brɪk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- bakstenen die zo slecht gebakken zijn dat ze broos zijn
- (België) pak voor drank
Etymologie
* In de betekenis van ‘(gebroken) baksteen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1282
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek