brioche

mannelijk/vrouwelijk (de)/briˈjɔʃ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. voeding (voeding) zacht en luchtig zoet brood of broodje
    Een rilette zou hij voor haar maken en brioche met ganzenlever, nog één keer zonder te proeven, speciaal voor haar, en dan zou hij gaan.

Etymologie

*van "brioche", voor het eerst in het Nederlands aangetroffen in 1847