brok
/brɔk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- blok met een grillige vorm, stuk van iets grotersNa de sloop van het muur is alle puin afgevoerd, er is geen brok is achtergebleven.
- restant van een constructieEen brok van het neergestorte vliegtuig is in onze tuin gevallen.
- (persoon) (figuurlijk) (informeel) man of mens
- iemand met een fors postuur
- (pejoratief) verwerpelijk persoon
Etymologie
* In de betekenis van ‘stuk’ voor het eerst aangetroffen in 1484
Uitdrukkingen
- een brok in de keel krijgen — emotioneel aangedaan zijn
- brokken maken — veel dingen laten mislukken
Vertalingen
Engelsbit, fragment, lump
DuitsBrocken
Spaansfragmento, parte, pedazo
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek