brok

/brɔk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. blok met een grillige vorm, stuk van iets groters
    Na de sloop van het muur is alle puin afgevoerd, er is geen brok is achtergebleven.
  2. restant van een constructie
    Een brok van het neergestorte vliegtuig is in onze tuin gevallen.
  3. persoon, figuurlijk, informeel (persoon) (figuurlijk) (informeel) man of mens
  4. iemand met een fors postuur
  5. pejoratief (pejoratief) verwerpelijk persoon

Etymologie

* In de betekenis van ‘stuk’ voor het eerst aangetroffen in 1484

Uitdrukkingen

  • een brok in de keel krijgenemotioneel aangedaan zijn
  • brokken makenveel dingen laten mislukken

Vertalingen

Engelsbit, fragment, lump
DuitsBrocken
Spaansfragmento, parte, pedazo