kluit
mannelijk/vrouwelijk (de)/klœyt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- de aarde om een wortelstelsel van een plant
- een brokkelige onsamenhangende massa
Etymologie
* In de betekenis van ‘massa, klont’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1357
Vertalingen
Engelsball of earth, lump
Fransmotte, motte
DuitsWurzelballen, Brocken, Klumpen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek