kluit

mannelijk/vrouwelijk (de)/klœyt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de aarde om een wortelstelsel van een plant
  2. een brokkelige onsamenhangende massa

Etymologie

* In de betekenis van ‘massa, klont’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1357

Vertalingen

Engelsball of earth, lump
Fransmotte, motte
DuitsWurzelballen, Brocken, Klumpen