kluif

mannelijk/vrouwelijk (de)/klœyf/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. voeding (voeding) stuk been met vlees dat men er alleen afkrijgt door het af te kluiven
  2. figuurlijk (figuurlijk) een flinke/hele ~ iets dat veel werk en moeite kost (net zoals het afkluiven van voornoemde kluif)

Etymologie

* In de betekenis van ‘bot met vlees’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1710

Uitdrukkingen

  • Een kluif voorhoudenIemand met iets ergens toe proberen te verleiden