bronchiën

meervoud/ˈbrɔŋxijə(n)/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. anatomie (anatomie) luchtwegen ten behoeve van de ademhaling, in grootte tussen de luchtpijp en de bronchioli
    De bronchiën zijn van binnen bekleed met slijmvlies en kraakbeenschijfjes en bestaan uit bindweefsel en glad spierweefsel.

Etymologie

*oorspronkelijk via "bronchies" of direct van Latijn "bronchia", in de betekenis van ‘vertakkingen van de luchtpijp’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1669