bronstigheid

vrouwelijk (de)/'brɔnstəxhɛɪt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. toestand van seksuele opgewondenheid
    Het was, wat de obscene visioenen betreft, een veel beeldender bronstigheid dan de normale, die niet door gif gevoed werd.
    Daarnaast hangen De liederlijke student en het beroemde doek van De koppelaarster uit 1625, eigendom van het Centraal Museum. De muziek, het plezier en de bronstigheid spatten er nog altijd van af:

Etymologie

* afleiding van bronstig