brood

onzijdig (het)/brot/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. voeding (voeding) een meelproduct dat gemaakt wordt door meeldeeg te bakken, te koken of te stomen
    Die bakker maakt een buitengewoon heerlijk brood.
    U moet van juffrouw Maren trouwens droog brood en haring eten tot ik klaar ben met koken.
    De zware tenten werden ontmanteld, matjes en slaapzakken opgerold en alle kleren in rugzakken gepropt. Er werd pap gekookt boven het houtvuur en een broodje voor de lunch bereid.
  2. figuurlijk (figuurlijk) levensonderhoud, beroepsmatige inkomsten
    Abraham Tuschinski behoorde echter tot een voorhoede die meer mogelijkheden zag – vooral toen steeds meer bedrijven brood zagen in het maken van langere films die een compleet verhaal ter lengte van een toneelstuk in beeld brachten.

Etymologie

:: "breu"

Uitdrukkingen

  • Brood en spelen
  • brood op de plank hebbengenoeg hebben om van te leven
  • De een z'n dood is een ander z'n brood.wat voor de één een nadeel is, daar profiteert een ander van
  • Een kruimeltje is ook brood.wees gelukkig met wat je hebt
  • Ergens geen brood in zienniet denken dat iets kan werken
  • Iemand het brood uit de mond stoteniemand het onmogelijk maken om in eigen inkomen te kunnen voorzien
  • Iemand iets op zijn brood geveniemand onvriendelijk iets verwijten
  • Niet bij brood alleen levenmen heeft meer nodig dan alleen eten om te kunnen leven

Vertalingen

Engelsbread
Franspain
DuitsBrot
Spaanspan
Italiaanspane
Portugeespão
Russischхлеб
Turksekmek
Poolschleb
Zweedsbröd
Deensbrød