broosheid
vrouwelijk (de)/'broshɛɪt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het breekbaar en kwetsbaar zijn van iets of iemandDorsvloer vol confetti levert geen kritiek op geloof, legt Schwab uit. „Dat is wel de setting, maar het gaat over dat ieder mens voor zichzelf een weg moet zoeken. Je hebt mensen waar je van houdt om je heen, maar soms kunnen die je ook belemmeren. Niet uit kwade wil, maar omdat ze gewoon iets anders voor ogen hebben. Dan is het best moeilijk om te zien waar je heen moet. Die broosheid van Katelijne, in combinatie met dat verlangen, ik hoop dat mensen dat raakt.”de Telegraaf 17 september 2014 [https://www.telegraaf.nl/nieuws/909935/zeeuws-meisje-worstelt-en-komt-boven Zeeuws meisje worstelt en komt boven]"Het opschonen van de huishoudboekjes door banken, huishoudens, niet-financiële instellingen en overheden is grotendeels verantwoordelijk voor de opvallende broosheid van de binnenlandse vraag", aldus de commissie.de Telegraaf 22 februari 2013 [https://www.telegraaf.nl/financieel/1132998/brussel-ziet-herstel-eurozone-in-2014 Brussel ziet herstel eurozone in 2014]
Etymologie
* afleiding van broos
Vertalingen
Spaansfragilidad
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek