kwetsbaarheid

vrouwelijk (de)/ˈkwɛtsbarˌhɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de zwakke, kwetsbare plek van iets of iemand
    Zijn kinderen zijn zijn enige kwetsbaarheid.
    In 2011 muntte academicus Robin DiAngelo de term ‘witte kwetsbaarheid’ om de defensieve reacties van witte mensen te beschrijven als racisme ter sprake wordt gebracht. Witte mensen zijn grootgebracht met het idee geen onderscheid te maken en kleurenblind te zijn, schreef zij in het boek White Fragility. Geen slecht beginsel, maar onmogelijk als je zwart bent en geconfronteerd wordt met je huidskleur.
  2. het breekbaar zijn
    Haar komische timing is waanzinnig, de kwetsbaarheid die ze eronder legt is zo mogelijk nog indrukwekkender. Haar koningin Anne is als de film zelf: verschrikkelijk grappig en oneindig tragisch. Wereldvreemd, en daarmee juist zo menselijk. de Volkskrant Floortje Smit 2 januari 2019 [https://www.volkskrant.nl/cultuur-media/the-favourite-is-verschrikkelijk-grappig-en-oneindig-tragisch-vijf-sterren-~ba553632/ The Favourite is verschrikkelijk grappig en oneindig tragisch (vijf sterren)]
    Kardashian droeg de originele jurk overigens alleen op de rode loper; eenmaal binnen trok de realityster een replica van de jurk aan. Toch kwam er vandaag kritiek vanuit de museumwereld: conservatoren wezen op de kwetsbaarheid van historische kledingstukken en vrezen dat Kardashian met haar keuze anderen aanspoort om ontwerpen te dragen die achter glas thuishoren.
  3. informatica (informatica) een fout in een toegangsbeveiliging waardoor onbevoegden (hackers) meer dan gewenste handelingsvrijheid kunnen krijgen

Etymologie

* afgeleid van kwetsbaar

Vertalingen

Engelsvulnerability
Spaansvulnerabilidad