buidel

mannelijk (de)/ˈbœydəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een stevige, vaak leren of stoffen zak waarin vaak kostbare zaken zoals geld meegedragen worden
    Hij tastte eens diep in de buidel.
  2. huidplooi bij buideldieren waarin de jongen zich de eerste tijd na hun geboorte ophouden
    Onlangs werd bij de kangaroe zo'n fotolyase ontdekt. Ook dit enzym bleek een rol te spelen bij DNA-reparatie. Maar de kangaroo behoort tot de buideldieren. Die baren hun jongen vroeg en brengen ze groot in een buidel. Bij placentale zoogdieren, zoals muis en mens, blijft het embryo veel langer in de baarmoeder.Marcel aan de Brugh NRC 17 april 1999

Etymologie

* In de betekenis van ‘zak’ voor het eerst aangetroffen in 1240

Vertalingen

Franspoche
Spaansbolsa marsupial