buigen
/ˈbœyɣə(n)/
Wat is de betekenis van buigen?
buigen betekent: (ov) krommend vervormen, van de gewoonlijk rechte stand, houding of richting afwijken
Betekenis
werkwoord
- (ov) krommend vervormen, van de gewoonlijk rechte stand, houding of richting afwijken
- (intr) krom worden, (door vervorming) doen afwijken
- (inerg) een buiging maken
- (refl) zich ~ over: aandacht besteden aan iets
- een bocht maken
Voorbeelden van "buigen" in een zin
- Hij boog het ijzer.
- Langzaam boog hij voorover en hij rechtte daarna met veel moeite zijn rug.
- De zilte adem van de zee liet de toppen van een overdaad aan palmbomen licht buigen.
- Hij boog diep bij de begroeting van de hoge gast.
- De regeringen zullen zich diep moeten buigen over de problemen ontstaan in de economie.
Etymologie
* (erfwoord): Middelnederlands būghen ‘krom worden’, ontwikkeld uit Oergermaans *būgan- ‘krom worden’, bij Indo-Europees *bʰeugʰ-, waartoe ook Russisch dial. bgatʹ (бгать) ‘buigen’, bugór (буго́р) ‘heuveltje’ en Lets baũgurs ‘heuvel’ behoren. Eveneens Nederduits bugen, Fries bûg(j)e en Engels bow ‘een buiging maken’.
Uitdrukkingen
- zich buigen over... — aandacht schenken aan...
Vertalingen
Engelsbend, bend, bow
Fransplier, courber, se plier
Duitsbeugen, biegen, sich verbeugen
Spaansdoblar, curvar, doblarse
Italiaanspiegare, curvare, piegarsi
Russischсгиба́ть, изгибать, гнуть
Zweedskröka, böja, krokna
Deensbøje, bukke, bøje sig
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek