buil

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. grote zeef voor het zeven van meel
  2. zak of zakje met bijvoorbeeld thee of kruiden

Etymologie

* In de betekenis van ‘bult’ voor het eerst aangetroffen in 901

Uitdrukkingen

  • Zich een buil vallenEen strop [2] aan iets hebben

Vertalingen

DuitsMehlsieb
Spaanschichón, tolondro