buts

mannelijk/vrouwelijk (de)/bʏts/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een beschadiging waarbij een voorwerp is ingedeukt of dat er juist een buil is ontstaan
    Het was niet de enige keer dat een grote voetbaltrofee een buts oploopt. Meest recente voorbeelden zijn die van de deuk in de kampioenschaal van Ajax en de beschadiging van de Spaanse Copa del Rey, beide opgelopen tijdens een rondrit van de spelersbussen door respectievelijk Amsterdam en Madrid. Tubantia Rogier Deelstra 08-04-12 [https://www.tubantia.nl/nederlands-voetbal/mysterie-van-deuk-in-beker-opgelost~a32aa446/ 'Mysterie' van deuk in beker opgelost]
    Dat de baksteen met de nodige kracht door het raampje is gegooid wordt duidelijk als bewoner Basim Shamma (50) laat zien wat de schade is. In de muur tegenover het raam zit een buts op de plek waar de steen tegenaan is gekomen. De steen is vervolgens teruggeketst, want ook in de tegenovergelegen tegelwand zit een buts. Tubantia Kees Tanis 12-01-17 [https://www.tubantia.nl/binnenland/syrier-in-veen-belaagd-met-baksteen-door-wc-ruit~aba4e675/ Syriër in Veen belaagd met baksteen door wc-ruit]
  2. beschadiging in het algemeen
    Hij noemde daarbij de stad waarin die informatie is opgepikt, waardoor de Russen kunnen achterhalen wie de bron is, vrezen inlichtingenexperts. Dat betekent een flinke buts in het vertrouwen van bondgenoten. Tubantia Karlijn van Houwelingen 16-05-17 [https://www.tubantia.nl/buitenland/washington-op-zijn-kop-door-nieuwe-crisis-rond-trump~afb6ab5a/ Washington op zijn kop door nieuwe crisis rond Trump]

Etymologie

* uit het Frans

Vertalingen

Engelsdent