buurtgenoot

mannelijk (de)/ˈbyrtxəˌnot/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die heel dichtbij woont, op loopafstand; vaak met de bijbetekenis dat mensen om die reden een gemeenschap vormen
    Elke zondag gingen ze op een nabijgelegen veldje vliegeren, en langzamerhand kwamen er steeds meer buurtgenoten met een eigen vlieger aanzetten.
    We speelden veel buiten met buurtgenootjes.
    Eerder steunde de wijkraad bijvoorbeeld een initiatief om soep te maken voor buurtbewoners. „Of om benzinekosten te vergoeden als iemand boodschappen doet voor een buurtgenoot.