buzzer

mannelijk (de)/ˈbʏzər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. apparaatje dat trilt als je het belt en door nummercodes een bericht kan ontvangen, het apparaat is vervangen door de mobiele telefoon
    De huisarts keek op zijn buzzer en zag dat hij de praktijk met spoed moest terugbellen.
    Leraren op basisscholen nemen de zoemende buzzers en `maxxers' van hun leerlingen direct in beslag. Maar werkende ouders blijven zo met hun kind in contact. “Als ze om tien over vier niet opneemt, piep ik haar op.' NRC Frederiek Weeda 13 november 1998
  2. iemand die mond-tot-mondreclame maakt
  3. iemand die de aandacht op zich wil vestigen, een aandachttrekker

Etymologie

* van buzzen