pieper
mannelijk (de)/ˈpipər/
Wat is de betekenis van pieper?
pieper betekent: (zangvogels) benaming voor vogels uit het geslacht
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (zangvogels) benaming voor vogels uit het geslacht
- (figuurlijk) een klein, zwak of teer persoontje, kindje, vogeltje (e.d.)
- (figuurlijk) (voeding), (informeel) (kleine) aardappel
- (elektronica) apparaat dat een piepend geluid voortbrengt, bijv. om te waarschuwen
- (informeel) zoen
Voorbeelden van "pieper" in een zin
- Piepers zijn vooral vogels van terrein met lage begroeiing en zingen terwijl de uit de lucht neerdalen.
- Staan de piepers al op?
- De aardappelprijs is gezakt tot nagenoeg nul. Door het hele land zitten aardappelboeren met bergen piepers. En dat terwijl de prijs voor friet in de supermarkt nauwelijks daalt. „Misschien kunnen we er maar beter wodka van stoken.”[https://www.nrc.nl/nieuws/2025/12/25/bij-aardappelboer-maarten-van-der-loo-blijven-bergen-piepers-liggen-zo-erg-is-het-nog-nooit-geweest-a4916132 www.nrc.nl (25 dec 2025)]
- De piepers geven een signaaltje af dat je locatie verraadt als je onder de sneeuw bedolven ligt.[https://www.dekennisvannu.nl/site/special/Lawines/35#!/artikel/Lawinegevaar/7925 Special - Lawines - De Kennis van Nu], dekennisvannu.nl
- Hij greep haar bij een roksplooi en lonkte smachtend in haar gezicht."Geef mij een pieper, Leentje," fluisterde hij.Dietsche Warande en Belfort. Jaargang 1904. J.E. Buschmann, Antwerpen 1904
Etymologie
*[3] in de betekenis van ‘kleine, jonge aardappel’ voor het eerst aangetroffen in 1885
Vertalingen
Engelspipit, spud
Franspatate
Spaansbisbita, papa
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek