pieper

mannelijk (de)/ˈpipər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. zangvogels (zangvogels) benaming voor vogels uit het geslacht
    Piepers zijn vooral vogels van terrein met lage begroeiing en zingen terwijl de uit de lucht neerdalen.
  2. figuurlijk (figuurlijk) een klein, zwak of teer persoontje, kindje, vogeltje (e.d.)
  3. figuurlijk, voeding, informeel (figuurlijk) (voeding), (informeel) (kleine) aardappel
    Staan de piepers al op?
    De aardappelprijs is gezakt tot nagenoeg nul. Door het hele land zitten aardappelboeren met bergen piepers. En dat terwijl de prijs voor friet in de supermarkt nauwelijks daalt. „Misschien kunnen we er maar beter wodka van stoken.”[https://www.nrc.nl/nieuws/2025/12/25/bij-aardappelboer-maarten-van-der-loo-blijven-bergen-piepers-liggen-zo-erg-is-het-nog-nooit-geweest-a4916132 www.nrc.nl (25 dec 2025)]
  4. elektronica (elektronica) apparaat dat een piepend geluid voortbrengt, bijv. om te waarschuwen
    De piepers geven een signaaltje af dat je locatie verraadt als je onder de sneeuw bedolven ligt.[https://www.dekennisvannu.nl/site/special/Lawines/35#!/artikel/Lawinegevaar/7925 Special - Lawines - De Kennis van Nu], dekennisvannu.nl
  5. informeel (informeel) zoen
    Hij greep haar bij een roksplooi en lonkte smachtend in haar gezicht."Geef mij een pieper, Leentje," fluisterde hij.Dietsche Warande en Belfort. Jaargang 1904. J.E. Buschmann, Antwerpen 1904

Etymologie

*[3] in de betekenis van ‘kleine, jonge aardappel’ voor het eerst aangetroffen in 1885

Vertalingen

Engelspipit, spud
Franspatate
Spaansbisbita, papa