piepen

/ˈpipə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. een hoog geluid voortbrengen dat niet erg hard klinkt
  2. dierengeluid (dierengeluid) het geluid van een muisje
  3. het geluid van de vogeltjes
  4. het geluid van een hijgende adem
  5. het fijn schril geluid van een krakende scharnier
  6. onverwacht korte tijd tevoorschijn komen (al dan niet gepaard gaand met een piepgeluid)
  7. stiekem, snel of oppervlakkig naar iets kijken
  8. militair, informeel (militair) (informeel) slapen

Etymologie

*[4] In de betekenis van “slapen”, voor het eerst aangetroffen in 1903.

Vertalingen

Engelssqueak, wheeze, creak
Franspépier, grincer
Duitspiepen, piepsen, quietschen
Spaanschillar, piar, resollar