piepel
/ˈpipəl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- vervelende vent, dikdoener
- (dierkunde) (verouderd) jonge eend
- (landbouw) (verouderd) aardappel, pieper
Etymologie
*[1] In de moderne betekenis van “hinderlijke, minderwaardige vent” of “kleine dikdoener” ten onrechte opgevat als een verbastering van Engels "people".
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek