cactus
mannelijk (de)/ˈkɑktʏs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bloemplanten) benaming voor een vetplant met stekels uit de familieDe Rus Safronov is begin zestig en heeft al dertig jaar lang dezelfde hobby: cactussen verzamelen. Zijn tuinhuis in Rusland herbergt meer dan tweeduizend exemplaren. Safronov reist de hele wereld over om net die ene cactus te bezitten, maar geheel legaal is zijn hobby niet.Maarten Back NRC 26 februari 2016Ik liep over rotsige bergen, begroeid met struiken en cactussen.
Etymologie
* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘plantenfamilie’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1775
Vertalingen
Engelscactus
Spaanscacto
Turkskaktüs
Poolskaktus
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek