cakewalk
mannelijk (de)/'kekwɔːk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- satirische, amerikaanse dans uit de 19de eeuwDan danste hij de cakewalk, luidkeels Ching Chang Chinaman erbij zingend. (Hugo Röling NRC 12 juli 1999)
- kermisattractie met bewegende trappen en vloeren waar men doorheen moet lopenDit gedicht is een cakewalk waarin alle vloeren onder je voeten verzakken, verschuiven en wegdraaien en waarin elke leuning waaraan je je vastklampt onder je handen ineenzijgt. (Ilja Leonard Pfeijffer NRC 1 november 2002)
Etymologie
* Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘negerdans’ voor het eerst aangetroffen in 1912
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek