caleidoscoop

mannelijk (de)/kaˌlɛidɔsˈkop/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kijker, bestaand uit een spiegelende veelhoekige buis of koker die aan het ene einde een compartiment met gekleurde kralen of andere kleurige voorwerpen bevat en zo bij ronddraaien om de lengteas telkens wisselende patronen laat zien
    In veel zalen heeft hij ook lichtinstallaties of caleidoscopen neergezet of opgehangen. In één ervan worden alle geometrische beschilderingen van de Sala Terrena door een zeshoekige caleidoscoop volkomen anders gerangschikt – en zeker niet minder mooi.
  2. iets dat heel veelvormig en veranderlijk is
    Als je met zijn dertigen onderhandelt, is dat vaak een ingewikkelde caleidoscoop, waarbij je kolen en geiten moet sparen, dus zeg je niet alles tegen iedereen.
    {{ouds
    ‘De wereld een kaleidoskoop?’…Ja, vrienden! 't schijnt mij dus gelegen.

Etymologie

*van "kaleidoscope" als woord in 1817 door de Schotse uitvinder gevormd uit "καλός" (kalós) "mooi" en "εἶδος" (eídos) "vorm" en "σκοπέειν" (skopéein) "bekijken", in de schrijfwijze "kaleidoskoop" aangetroffen vanaf 1818 en in de schrijfwijze "caleidoscoop" vanaf 1839 (zie vindplaatsen hieronder)

Vertalingen

Spaanscaleidoscopio