carnavalist
mannelijk (de)/ˌkɑrnavɑˈlɪst/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- iemand die meedoet aan het carnavalsfeestJos in het Veld, voorzitter van de Voedselbank Losser, kan het niet ontkennen. Hij is een blij man. Waar de carnavalist een kleurrijk spektakel door de neus wordt geboord, levert het In het Veld wel iets op: etenswaar voor klanten van de Voedselbank.Toch was er één onderdeel van het feestprogramma dat op nog meer jeugdige aandacht mocht rekenen: de prijsuitreiking voor de mooiste verklede jonge carnavalist van Haaksbergen. Die eer viel Evi Lammersen ten deel. Zij mag één minuut gratis graaien in de snoepvakken van supermarkt Jumbo.
Etymologie
* afleiding van carnaval
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek